Geschiedenis van Opwijk
Opwijk werd wellicht tijdens de 7de of de 8ste eeuw gekerstend. Op de Klei, een gehucht van Opwijk, bouwde men een kleine kapel, gewijd aan de Heilige Drievuldigheid. Wat later ontstond op het Eeksken de Sint-Pieterskluis, die tot in de 16de eeuw zou blijven bestaan. Later kwam er nabij de burcht van Ingersbrugge een Sint-Pauluskerk, vrijwel zeker bedoeld als private bidplaats voor de bewoners van de burcht.
Deze bewoners, de heren van Dendermonde, stonden in 1108 hun rechten op de kerkelijke goederen van Opwijk af, aan het kapittel van de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Dendermonde, samen met de tienden die ze in 1212 schonken. Ook de abdij van Zwijveke mocht zich in de schenking van goederen verheugen.
Bij de uitbreiding van de oude dorpskern in de 12de eeuw, voornamelijk door de groei van de handel, verplaatste men de kerk naar het centrum. Weldra zou de nieuwe Sint-Pauluskerk gebouwd worden.
Ongeveer tegelijkertijd wordt in de oorkonden van Dendermonde herhaaldelijk gesproken over de "parochia de Opwic", zonder hierbij gewag te maken van de Heilige Drievuldigheidsparochie. In de 12de eeuw wordt het patronaat van de Heilige Drievuldigheid overgebracht naar de Sint-Pauluskerk. Daar zal de eredienst voor de Heilige Drievuldigheid blijven bestaan.
In het midden van de 13de eeuw kwam het Land van Dendermonde, en dus ook Opwijk, in rechtstreeks bezit van de graven van Vlaanderen. Tot het einde van het Ancien Régime zou Opwijk deel uitmaken van het grafelijke domein. Wel werden een aantal bebouwde gronden in leen gegeven, zoals de heerlijkheid en het leenhof Ten Broeke.
Terwijl Opwijk tot het graafschap Vlaanderen behoorde, maakte Mazenzele deel uit van het hertogdom Brabant. Dit laatste dorp ontstond tijdens de landbouwontginningen in de Frankische periode. Het suffix "-zele" wijst trouwens in die richting. Twee kernen, één rond de nog bestaande dries en een andere rond de wat hogergelegen kerk, groeiden naar elkaar toe en vormen nog steeds duidelijk herkenbare tekens in het landschap. Aanvankelijk vormde Mazenzele waarschijnlijk een afhankelijkheid van de moederparochie van Asse. Pas in de 14de eeuw zou het een zelfstandige parochie worden. In 1098 verwierf de abdij van Affligem het patronaatsrecht over de parochie. Deze abdij bezat overigens ongeveer één derde van de bebouwde gronden in Mazenzele. Het grootste gedeelte van de overige gronden was eigendom van het Benedictinessenklooster Ter Rozen in Aalst.
In het begin van de 15de eeuw drong in Opwijk de bouw van een nieuwe kerk zich op. In 1579 werden het dorp en de kerk verwoest door de Geuzen. Voorheen werden reeds heel wat kerkschatten opgeëist door de geusgezinde gewestelijke overheid. De strijd tussen de Malcontenten en de Geuzen legde bijna de volledige streek in as.
Tijdens de regering van Albrecht en Isabella, die de nodige rust voor een economische heropleving verleende, en het pastoorschap van Gillis Van Lokeren, kon Opwijk zich geleidelijk herstellen van de ellende van de vorige eeuw. Opwijk bleef sindsdien gespaard van verdere oorlogen. Dit betekent enkel dat Opwijk geen deel uitmaakte van het strijdtoneel : de gemeente werd veelvuldig belast door oorlogscontributies, het leveren van soldaten, de inkwartiering van vreemde troepen... Echter vooral de veelvuldige oorlogsheffingen konden zwaar wegen. Indien de gemeente ze niet kon betalen, dreigde men met de plundering van goederen. Dit gebeurde bijvoorbeeld in 1697.
De 18de eeuw wordt gekenmerkt door een periode van vrede - en dus welvaart. Men mag niet vergeten dat heel wat feiten, zoals de onthoofding van Anneessens in Brussel, op het platteland van weinig of geen betekenis waren. Af en toe, zoals in 1745-1748, werd Opwijk nog verplicht soldaten in te kwartieren, maar dit gebeurde niet meer zo vaak als in de 17de eeuw.
De Franse Revolutie bracht de 18de eeuw tot een abrupt einde. Ook in Opwijk leed de bevolking onder de Franse bezetting : de kerk werd gesloten, de pastoor moest onderduiken, opstanden tegen de bezetter zorgden voor materiële en financiële verliezen, kerkelijke goederen werden verbeurd verklaard en verkocht....
Geleidelijk aan herstelde de bevolking zich van deze moeilijkheden. Na de Napoleontische periode en de Nederlandse overheersing brak een periode van herstel aan, die slechts in 1845-1847 onderbroken werd, tengevolge van de mislukking van de aardappeloogst en hongersnood. Zelfs de overheid kon, niettegenstaande grote inspanningen, de ellende nauwelijks lenigen. Daarbij had men ook nog te kampen met diefstallen, inbraken en geweldplegingen. In deze periode, het midden van de 19de eeuw, vestigde de Congregatie van de Zusters van Sint Vincentius à Paulo zich in Opwijk.
Zowel in Opwijk als in Mazenzele was de bevolking vooral in de agrarische sector tewerkgesteld en dit veranderde - zoals op zovele plaatsen - geleidelijk in de 19de eeuw. Kleinere industrieën met veel pendelarbeid, voornamelijk in Brussel, vormden de nieuwe werkgevers. Mede hierdoor nam de bevolking zo sterk toe, dat men in 1893 een zelfstandige parochie in het gehucht Droeshout oprichtte.
De beide Wereldoorlogen berokkenden Opwijk eveneens veel schade, zowel op materieel als op menselijk vlak. Na de Tweede Wereldoorlog groeide Opwijk verder uit tot wat het nu is. Het overwegend landelijke karakter, dat Opwijk sedert eeuwen siert, bleef nog steeds bewaard. Door de fusie van 1977 werden Opwijk en Mazenzele samengevoegd tot één gemeente, die momenteel ongeveer 12.000 inwoners telt.



